Virtuele rondleiding
|
Wat moest een dokter op het platteland vroeger allemaal in huis hebben om zijn werk goed te kunnen doen? In een wereld zonder collega's, zonder ziekenhuizen, zonder goede wegen, als er al wegen waren. Hij moest van alle markten thuis zijn. Hij moest zowel een beetje chirurg zijn, als gynaecoloog en verloskundige, zowel een beetje oogarts als een beetje keel-, neus- en oorarts, moest verdoving kunnen geven, tanden kunnen trekken, brillen aanmeten enzovoort. Hij had ook een eigen doktersapotheek voor zijn eigengemaakte zalfjes, zelfgedraaide pillen en zelfgemixte drankjes en poedertjes.
 |
In onze vitrines vindt u de doktersattributen die herinneren aan echt ouderwetse tijden. Tijden waarin doktoren en eigenlijk de hele medische wetenschap nog geloofden in de "vier sappenleer": een mens bestaat uit vier lichaamssappen, vier vochten of "humoren" (humor in het Grieks betekent vocht). Die vier sappen waren: bloed gemaakt door het hart, slijm gemaakt door de longen, gele gal uit de lever en zwarte gal gemaakt door de milt. Gezondheid betekende in die visie een harmonische verhouding van de vier sappen. Als je ziek was, was de verhouding verstoord. Genezen wilde dus zeggen: herstel de verhouding van de vier sappen. Dat deed men met aderlaten met vlijmen, koppen zetten met glazen koppen, het aanleggen van bloedzuigers, of met klisteerspuiten. Al die hulpmiddelen van vroeger tonen wij u, zelfs een bloedzuiger (of echel) op sterk water! |
| >>> Verder >>> |
|
 |